Monica praat haar mond voorbij 

Steeds als Monica ‘s morgens wakker werd, had ze het liefst luidkeels willen juichen van blijdschap. En vandaag deed ze het ook echt.

Toen zij en de anderen van het gezin nog in de grote stad woonden, was het wel anders geweest. Daar was ze vaak zelfs bij het mooiste weer maar heel moeilijk uit de veren gekomen. Maar sinds ze in het mooie, oude huis aan de vijver met de waterlelies woonden, zag de wereld er heel anders uit. Er was een stal bij het huis, en een wei. En al gauw zou er ook een paard komen, de goede oude Bodo uit de manege. Alleen al bij de gedachte daaraan bonkte Monica’s hart van blijdschap.

Ze sprong uit bed, holde op blote voeten naar het raam en deed het gordijn open. Voor haar lag de grote wei, en daarachter akkers en weilanden en een klein bos, waarachter het plaatsje Heukelen verscholen lag. Daar ging Monica naar de basisschool, een modern gebouw voor alle kinderen uit de streek. Nog verder weg, maar niet zo ver als je zou denken, waren de heuvels van de hogere zandgronden te zien.

Monica deed het raam open — de deur naar het balkon zat altijd op slot, omdat het balkon oud en gammel was — sloeg haar armen wijd uit, gaapte hardop en rekte zich eens lekker. Vandaag was de laatste schooldag voor de pinkstervakantie en haar vriendin Petra uit de stad zou in deze vakantie bij haar komen logeren. Ze wilden morgen meteen beginnen de stal voor Bodo’s komst in orde te brengen. Alles bij elkaar reden genoeg om te zingen van plezier, wat Monica nu dan ook deed.

Ze zong meer hard dan mooi, maar wat deed het ertoe? Ze schoof haar slippers aan haar voeten, ging naar de aangrenzende badkamer en klopte op de deur.

‘Ja, ja ... ben zo klaar!’ klonk het wat knorrige antwoord van haar zuster Liane daarbinnen. Liane was vijftien jaar, leuk om te zien en heel ijdel. Daarom bracht ze ook uren voor de spiegel door.

Monica stopte even met zingen. ‘Schiet eens op! Je bent nu wel mooi genoeg!’.

Zingend maakte ze haar bed op, maakte haar kamer een beetje aan kant, trok haar nachtpon uit en deed haar badjas aan. Daarna deed ze een tweede poging om in de badkamer te komen. Deze keer had ze geluk, Liane deed open.

‘Schreeuwlelijk!’

‘IJdeltuit!’

Na deze niet erg vriendschappelijke, maar zusterlijke begroeting gingen hun wegen uit elkaar en nam Monica bezit van de badkamer. Ze hoefde zich niet te haasten, want ze had niet veel tijd nodig om op school te komen, terwijl Liane en broer Peter met de trein van station Weghoeven via de voorstad Veldwijk naar de grote stad moesten reizen. Moeder, met wie Liane en Monica de badkamer moesten delen, was allang beneden en vader, die trouwens de andere badkamer gebruikte, stond later op. Monica nam dus alle tijd. Ze nam uitgebreid een douche, de kraan beurtelings op koud en warm zettend, droogde zich stevig af en poetste haar· tanden met zoveel energie dat het schuim letterlijk op haar mond stond. Daarna deed ze wat crème op haar gezicht, want ze had een zachte, gevoelige huid: blank en rozig met kleine bruine zomersproeten op haar neus en voorhoofd, zoals zoveel meisjes met rood haar hebben. Ze borstelde haar glanzende steile haar dat tot op haar schouders kwam, trok een grimas naar haar spiegelbeeld en ging weer terug naar haar kamer om zich aan te kleden. Tien minuten later stak ze de lage overloop over, gekleed in spijkerbroek, sandalen en trui. Zwaaiend met haar schooltas sprong ze de smalle trap af, die de indruk wekte dat de bouwer van het huis geen ruimte had willen verspillen. De trap kwam uit in het woonvertrek, een werkelijk indrukwekkende ruimte, waarin alle deuren, ook de buitendeur uitkwamen. Wonderlijk genoeg was het er toch niet ongezellig. Misschien lag dat aan de tot aan het plafond reikende, van ouderdom donker gekleurde houten wandbekleding, of aan de mooie planken vloer en aan de verhoogde erker met ramen van bobbeltjes glas.

Op dit ogenblik was in het midden de ontbijttafel gedekt en Peter en Liane stonden al op het punt om weg te gaan. Monica begroette haar broer kort, met een vriendschappelijke stomp, en moeder met een kus op haar wang.

‘Wat een mooie dag, hè!’ Monica nam plaats, nam een volkorenboterham uit het mandje en begon die te smeren. ‘Eigenlijk zouden we kippen moeten gaan houden, vinden jullie ook niet? Dan hadden we elke dag verse eieren!’

‘Wat heb je weer een goede ideeën’ Liane stond op.

‘Dronkemans ideeën!’ Peter volgde haar voorbeeld.

‘Kippen maken een boel viezigheid!’ verklaarde moeder. ‘Maar als jij toch de stal schoonhoudt …

‘Nee, dankjewel! Ik heb het met Bodo al druk genoeg.’ Gretig nam Monica een hap van haar boterham.

De andere twee pakten hun jassen en schooltassen, namen afscheid en verlieten het huis.

‘Wacht even, ik ga alleen maar even koffiewater opzetten... ·

Moeder stond op en ging naar de keuken.

Monica wist dat ze altijd met vader samen gezellig een kop koffie dronk, als iedereen naar school was. ‘Ik heb Pap nog helemaal niet gezien!’ riep ze haar achterna.

‘Dat kan best. Hij zal zo wel opstaan!’

Alleen achtergebleven keek Monica naar het olieverfschilderij in de erker.

Het stelde een aardige jongen met een witgepoederde pruik en ver uiteenstaande heldere ogen voor. Hij droeg een jas van lichtblauwe zijde en een hemd met kant aan hals en mouwen.

‘Goeiemorgen, Amadeus!’ zei Monica vergenoegd. ‘Goed geslapen? Oh pardon, ik vergat even dat je immers nooit slaapt. In elk geval bedankt dat je je vannacht kalm gehouden hebt. Trouwens... ik heb het je al verteld, weet je nog... vandaag komt mijn vriendin Petra. Die mag je in geen geval aan het schrikken brengen. Ze is namelijk geweldig bang voor... vooral voor dingen die ze niet begrijpen kan.’

Bijna had Monica gezegd ‘voor spoken’. Maar omdat ze wist dat haar huisspook geen spook wilde zijn en ook helemaal niet wist wat voor iets dat was, had ze gauw wat anders gezegd.

‘Hou je gesprekken met jezelf?’ vroeg moeder die weer binnenkwam. Ze droeg een eenvoudige, blauwe, katoenen jurk waarin ze er jong en fris uitzag.

‘Kom nou! Ik praat met Amadeus. Dat probeer ik tenminste, want je weet immers nooit of hij er wel is.’ Bijna op hetzelfde moment greep ze naar haar hoofd. ‘Au! Hij is er toch. Hij trok me aan mijn haar.’

‘Soms,’ zei moeder Smit, terwijl ze zachtjes zuchtte, ‘weet ik werkelijk niet meer waar ik met je aan toe ben.’

‘Denk je dat ik maar wat verzin? Dat ik gek ben? Echt niet, hoor!’ Monica dronk haar kopje leeg. ‘Herinner Pap eraan dat hij ons beloofd heeft met de stal te helpen, ja?’ Ze stond op en gaf haar moeder een zoen. ‘En jij Amadeus, hou je rustig! Als je het hart hebt mijn moeder te plagen, zeg ik geen woord meer tegen je!’

Lachend zwaaide ze met haar tas en holde het huis uit. Al van ver zag ze Ingrid die ongeveer honderd meter verder, daar waar de weg van Heidehuizen, het dichtstbijzijnde dorp, naar Heukelen liep, op haar wachtte. Ingrid zat in dezelfde klas als Monica: haar vader was leraar op een school in Veldwijk. Ze woonde met haar ouders in een klein boerenhuis in Heidehuizen. Omdat ze enig kind was, zag ze er altijd wat beter uit dan de anderen, maar voor de rest was ze heel lief.

Vandaag droeg ze een witte plooirok en om haar bruine krullenkop een rode, zijden band.

‘Joehoe!’ riep Monica terwijl ze het op een hollen zette. ‘Hoi, Ingrid!’

Een paar seconden later was ze bij haar schoolvriendin. ‘Hard gelopen, hé?’

‘Nou!’ zei Ingrid bewonderend. ‘Als je vandaag met gymnastiek ook maar half zo hard gaat…’

‘Gymnastiek!? Verdorie!’

‘Wat is er?’

‘Ik ben mijn gymspullen vergeten!’

‘Dan moet je ze halen,’ verklaarde Ingrid. ‘Juffrouw Kruisman is erg streng in die dingen.’ ‘Wacht je even op me?’

‘Liever niet. Ik wil niet te laat komen, omdat jij je spullen vergeten bent,’ zei Ingrid.

‘Raar hoor,’ zei Monica, een beetje teleurgesteld. Petra zou in elk geval op haar gewacht hebben, maar Petra was dan ook een echte vriendin en niet alleen maar een schoolkameraadje zoals Ingrid.

‘Schiet nu maar op!’ drong Ingrid aan. ‘Zorg dat je me inhaalt!’

Monica draaide zich om naar huis en zag hoe haar gymnastiekkleren in een flauwe boog op haar toegevlogen kwamen. Ze stak haar handen uit en ving ze handig op.

‘Dankjewel!’ riep ze. ‘Heel erg bedankt!’

Ook Ingrid had gezien wat er gebeurde. ‘Wat was dat nou?’ vroeg ze stomverbaasd.

‘O niets!’ beweerde Monica luchtig. ‘Iemand heeft me mijn spullen achterna gegooid.’

‘Maar van jullie huis tot hier aan de kruising is het minstens honderd meter!’ riep Ingrid. ‘Geen mens kan toch zover gooien!’

‘Misschien toch wel!’

‘Bestaat niet! Zeg ’s eerlijk, Monica, er moet iets bijzonders aan de hand zijn.’

‘Ook al zou dat zo zijn, wat maakt het uit! De hoofdzaak is dat ik mijn spulletjes heb en nu niet te laat op school kom.’

Monica had er stevig de pas in gezet, in de richting van Heukelen.

‘Maar ik wil het toch wel weten!’ Ingrid greep haar bij een arm. ‘Dat bundeltje werd niet gegooid... het kwam vanzelf aanvliegen!’

‘Kijk maar eens of er een motortje in zit.’

Ingrid schudde nadenkend haar hoofd. ‘Nee, het was anders... het was net alsof het door iemand door de lucht gedragen werd... ja, zo was het!’

‘Als je het zo goed weet, waarom vraag je het dan nog?’

‘Toe nou, Monica, doe nu niet net of je nergens van afweet. Ik heb jou toch ook van dat spookachtige licht verteld dat ik deze winter in jullie huis gezien heb! Weet je nog! Ik heb je zelf nog wel gezegd dat het er spookt! Ik vind het gemeen dat je nu stommetje speelt!’

‘Het spijt me, echt waar, Ingrid. Maar we hebben mijn vader moeten beloven niets tegen de anderen te zeggen.’

‘Dus toch!’

Monica liep zwijgend verder, haar lippen stijf op elkaar geperst.

Ingrid gaf het niet op. ‘Doe nu niet zo vervelend! Je denkt toch zeker niet dat ik iemand iets vertellen zou, uitgerekend ik? Behalve jij heeft niemand me toen met dat spooklicht geloofd; iedereen heeft me uitgelachen en mijn vader is zelfs vreselijk boos geworden. Nee, ik kan even goed mijn mond houden als jij. Echt waar!’

‘Nou ja, als je het zelf ook gezien hebt...’ Monica’s weerstand begon zwakker te worden.

‘Precies! Ik heb het gezien en ik weet dat er een spook is. Zeg het dus maar. Hoe verklaar je dat met die gymnastiekspullen?’

‘Amadeus heeft ze me achterna gebracht.’

‘Amadeus?’

‘Ja, zo heet hij. Hij is een spook, denk ik, maar hijzelf weet niet wat dat is. Hij denkt dat hij een mens is en zo ziet hij er ook uit als hij zichtbaar wordt. Hij is alleen dóórzichtig, maar verder is hij een vriendelijke jongen met een witte pruik.’

‘Heb je hem gezien?’ vroeg Ingrid ongelovig.

‘Ja,’ was Monica’s antwoord simpelweg.

‘Maar hoe ging dat dan?’

‘Je weet dat er in ons huis steeds weer andere huurders zijn geweest, en ook bij ons heeft het in het begin heel erg gespookt. Vooral ’s nachts. Je hoorde de hele tijd kloppen en schuifelen, en steunen en zuchten, nee echt, afschuwelijk gewoon. En stel je voor, eerst dacht iedereen dat het mijn schuld was. Toen hebben we watjes in onze oren gedaan, zodat we niets meer hoorden. Maar Amadeus... toen wist ik natuurlijk nog niet dat hij bestond... hield maar niet op. Hij trok de dekens van ons af en haalde allerlei grappen uit. We sliepen geen nacht meer rustig en werden steeds prikkelbaarder en nerveuzer. Maar we wilden ons niet klein laten krijgen. Totdat... stel je voor, op klaarlichte dag... de aardappelen tegen de keldertrap op kwamen huppelen. Dat was teveel voor mijn moeder.’ Weloverwogen stopte Monica even.

‘Jeetje!’ riep Ingrid, zwaar onder de indruk. ‘Dat is het gekste verhaal dat ik ooit gehoord heb! Als ik dat met die gymnastiekspullen niet zelf gezien had, had ik er geen woord van geloofd!’

‘Vertel het dan ook maar niet verder!’

‘Dat heb ik je toch al beloofd? Maar hoe heb je Amadeus leren kennen?’

‘Ik zou en moest weten wie hij was, er bleef me niets anders over. De anderen hadden namelijk de moed al opgegeven en dan zou het afgelopen zijn geweest met mijn mooie stal en het paard en alles. Dus moest ik met Amadeus praten. Midden in de nacht ben ik op de zolder gaan zitten...’

‘Jeetje, dapper van je!’

‘Helemaal niet. Ik wist immers dat spoken mensen niets kunnen doen. Alleen wat streken uithalen, aan het schrikken brengen maar niet echt pijn doen of zo. Ik zat daar dus en wachtte af. Gelukkig scheen de maan, zodat het niet pikdonker was. Ik riep steeds maar: “spook, ik moet met je praten!” Eindelijk snapte hij het en maakte hij zich zelf zichtbaar.’ Monica wachtte even.

‘En hoe zag hij eruit?’

‘Dat heb ik je toch al gezegd! Op het laatst nam hij zijn pruik af. Daaronder had hij lichtblond haar, heel leuk, kan ik je wel zeggen. Hij beweert dat hij in de achttiende eeuw geleefd heeft en dat hij altijd twaalf jaar oud blijft. En zo doet hij ook.’

Ingrid wist niet wat ze hoorde.

‘En kan hij echt praten?’

‘Ja, natuurlijk. Zelfs Frans!’

‘Spreek jij dan al Frans?’ vroeg Ingrid verbaasd.

Ze waren het kleine bos al door en het moderne schoolgebouw aan de rand van Heukelen was in de verte al te zien.

‘Nee, maar als hij zegt dat het Frans is, dan zal het toch wel zo zijn.’

Ingrid wierp een blik op haar horloge en hield Monica tegen. ‘Maar wat heb je er aan gehad, aan dat gesprek?’

‘We hebben een afspraak gemaakt. Hij heeft beloofd zich in te houden en ons ’s nachts te laten slapen. Verder haalt hij voortaan alleen nog maar onschuldige grappen uit, begrijp je?’

‘Ja, natuurlijk! Dan krijgt je moeder tenminste geen zenuwaanval.’

‘Precies!’

‘En dat heeft hij zo zonder meer beloofd?’

‘Nee, dat niet. Ik heb hem beloofd me met hem bezig te houden, met hem te praten en zo, zodat hij zich niet verveelt. Al die streken haalt hij namelijk alleen maar uit verveling uit en omdat hij er zich aan ergert dat niemand echt gelooft dat hij bestaat.’

Pas achteraf drong het tot Monica door, dat ze eigenlijk veel te veel verteld had. ‘Zweer me, dat je er met geen woord met anderen over praten zult!’

Ingrid nam Monica’s rechterhand, maakte vlug een kruis op de handpalm en schudde hem toen stevig. ‘Op mijn erewoord! Maar jij moet me vertellen wat er van nu af gebeurt, afgesproken?’

‘Afgesproken!’

Naast elkaar holden ze naar school, waar de schoolbus kinderen uit de verre omtrek afzette.

‘Jammer dat we elkaar een tijd niet zien,’ zei Ingrid.

‘Hoezo?’ antwoordde Monica zonder bij zichzelf te overleggen. ‘Je kunt toch gewoon bij ons thuis komen!’

‘Als mijn ouders het goed vinden!’

Monica had er al spijt van Ingrid uitgenodigd te hebben. Eigenlijk had ze zich erop verheugd met Petra alleen te zijn. Ook zat ze erover in hoe Petra de aanwezigheid van Ingrid zou opnemen. Maar ze kon niet meer terug zonder Ingrid te kwetsen.

‘Maar je moet wel meehelpen!’ zei ze. ‘Weet je, we moeten een gierput voor de stal graven en daarbij kunnen we geen toekijkers gebruiken.’

‘Ik zal meehelpen,’ verzekerde Ingrid.

‘En je mag Petra niets over Amadeus verraden! Ze is namelijk ontzettend bang aangelegd.’ ‘Hoe kan ze dan jouw vriendin zijn?’

Dat was een vraag die Monica zichzelf nooit had gesteld. Daarom wist ze er nu geen antwoord op te geven.